Skip to main content

Les 6 | God wil een relatie

In Les 2 en 4 heb je meer geleerd over God en Jezus. Je hebt onder andere geleerd dat God liefde is. Hij houdt van de mensen die Hij heeft gemaakt. Het is dan ook niet zo vreemd dat Hij een relatie wil. Want als je van iemand houdt, dan wil je daar toch een relatie mee? In Les 5 hoor je daar meer over (en ook over wat Jezus daarmee te maken heeft).

Stel jezelf de volgende vragen, als persoonlijke voorbereiding op deze les:

  1. Wat zijn volgens jou de belangrijkste kenmerken van een goede relatie?
  2. Hoe lijkt het je om een relatie met God te hebben? Wat stel je je daarbij voor?
  3. Geloof je dat zo’n relatie mogelijk is? Waarom wel of niet?
  4. Wat is volgens jou het verschil tussen religie en relatie?

Hieronder vind je achtergrondinformatie bij het onderwerp. Het is de bedoeling dat je die vóóraf doorneemt, om je optimaal voor te bereiden op de bijeenkomst.

God zoekt contact

Dat God een relatie met mensen wil, is al duidelijk vanaf het allereerste begin. In Genesis 1 kun je lezen hoe God de aarde en de mens heeft gemaakt. Steeds als God iets heeft gemaakt, staat er dat Hij zag dat het goed was. Nu had God ervoor kunnen kiezen om voortaan achterover te leunen en al dat moois van een afstandje gade te slaan. Gewoon zonder zich verder nog ergens mee te bemoeien. Maar dat deed Hij niet. Hij zocht juist contact met de mens!

Dat begon al bij de eerste mensen, Adam en Eva. In de Bijbel staat dat God direct tot hen sprak (Genesis 1:28-29).

28 Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ 29 Ook zei God: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn.

Ook is het duidelijk dat God hen opzocht in hun woonplaats, de Tuin van Eden. God bracht bijvoorbeeld alle dieren bij Adam, om te zien wat voor namen Adam hen zou geven (Genesis 2:19).

19 Toen vormde hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten.

Iets verderop (in Genesis 3:8):

8 Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen.

Hier kunnen we lezen dat God in persoon rondliep in de Tuin. En Adam en Eva herkenden het geluid van God die eraan kwam, wat erop wijst dat het vaker gebeurde. Al met al is het duidelijk dat God contact zocht met Adam en Eva. God liep niet zomaar wat rond in de Tuin, Hij kwam daar om Adam en Eva te ontmoeten.

In het laatstgenoemde Bijbelvers staat ook dat Adam en Eva zich verstopten voor God. Waarom? Omdat ze iets fout hadden gedaan en bang waren. God wist dat natuurlijk wel. Maar God reageerde niet door hun fout te bestraffen of door hen boos te verlaten. Nee, God zocht juist contact met hen: “Waar ben je?” (Genesis 3:8-9). God strekte zich uit naar de mens. Want zo is God.

8 Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen. 9 Maar God, de HEER, riep de mens: ‘Waar ben je?’

Dat geldt ook voor het hier en nu, voor ons. Zelfs als we fout zitten of wegrennen voor God, staat Hij op de uitkijk om ons op te zoeken. Dit zie je ook terug in het verhaal van de verloren zoon (Lucas 15:11-32).

11 Vervolgens zei hij: ‘Iemand had twee zonen. 12 De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. 13 Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte. 14 Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. 15 Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. 16 Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem. 17 Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. 18 Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, 19 ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.” 20 Hij vertrok meteen en ging op weg naar zijn vader.

Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem.21 “Vader,” zei zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.” 22 Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. 23 Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, 24 want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren.

25 De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. 26 Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. 27 De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” 28 Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en trachtte hem te bedaren. 29 Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. 30 Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.” 31 Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. 32 Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.”’

Het initiatief ligt dus niet bij de mens; God neemt zelf het initiatief. We hoeven niet eerst aan allerlei ‘eisen’ te voldoen, zeg maar. Je kunt dat ook zien als een verschil tussen religie en relatie.

De rol van Jezus

Ook Jezus’ komst naar deze aarde laat zien dat God een relatie met ons wil. “God is liefde” klinkt leuk, maar wat heb je aan die liefde als God ver weg is? Wel, door Zijn zoon naar ons toe te sturen, kon God als het ware toch heel dicht bij ons komen. Jezus werd één van ons. Dichterbij kan niet. Als je daarover nadenkt, moet dat in zekere zin een flinke vernedering voor Hem zijn geweest. Eerst een ‘goddelijke’ plaats in de hemel; dan een gewoon mens, geboren in stal… Maar dat had Hij er blijkbaar voor over.

Ook wat Jezus hier op aarde heeft gedaan, maakt duidelijk dat God een relatie wil. Jezus zegt namelijk van zichzelf dat wie Hem leert kennen, eigenlijk ook God leert kennen (Johannes 14:7-9).

7 Als jullie mij kennen zullen jullie ook mijn Vader kennen, en vanaf nu kennen jullie hem, want jullie hebben hem zelf gezien.’ 8 Daarop zei Filippus: ‘Laat ons de Vader zien, Heer, meer verlangen we niet.’ 9 Jezus zei: ‘Ik ben nu al zo lang bij jullie, en nog ken je me niet, Filippus? Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Waarom vraag je dan om de Vader te mogen zien?

En uit de verhalen over Jezus blijkt duidelijk dat Hij eropuit was om mensen te ontmoeten en relaties met hen aan te gaan. Met iedereen, ook met mensen op wie men neerkeek (zie Les 4). Welnu, zo is God dus ook! Deze man legt kort en enthousiast uit waarom en hoe God een relatie met jou wil!